Gent heeft in 2005 een werkgelegenheidsgraad van 103,3%. Er zijn in Gent meer jobs dan Gentenaars die zich aanbieden op de arbeidsmarkt. Hieruit blijkt dat Gent een duidelijke aantrekkingspool is voor werkgelegenheid en er behoorlijk wat pendelaars naar Gent komen.
De beroepsbevolking in Gent is tussen 2003 en 2005 gestegen van 109.292 naar 113.546, een stijging van 4.252 eenheden. De groeiende bevolking is niet de enige verklaring, want ook de activiteitsgraad is gestegen. Dat is de verhouding tussen de beroepsbevolking en de gehele bevolking op beroepsactieve leeftijd.
De activiteitsgraad in Gent ligt hoger dan die in Vlaanderen en Antwerpen . Gent kent een stijging van de activiteitsgraad tussen 2003 en 2005.
Op 31/12/2005 zijn er in Gent 151.490 jobs. Het aantal jobs in loondienst bedraagt 138.597. Het totaal aantal zelfstandigen in hoofdberoep bedraagt op 31/12/2006 13.673.
Het aandeel van de tertiaire en quartaire sector neemt toe ten koste van de secundaire en primaire sector. Er werken bijna 60.000 mensen in de quartaire sector. Toch blijft de verwerkende nijverheid met een aandeel van bijna een vierde zeer belangrijk.
De totale werkloosheidsgraad, dit is de verhouding van het aantal niet werkende werkzoekende van 18-64 jaar ten opzichte van de totale Gentse beroepsbevolking van 18-64 jaar, bedraagt 9,76 % in 2008. Een hoge werkloosheidsgraad is een typisch grootstedelijk fenomeen, Vlaanderen scoort in vergelijking 5,9 %.
De werkloosheidsgraad schommelt doorheen de jaren duidelijk mee met de conjunctuur.
In maart 2005 was 60% van de werkzoekenden die 2 jaar of langer werkloos waren, laaggeschoold.14% van die groep was hooggeschoold.
In maart 2008 is 55% van de werkzoekenden die 2 jaar of langer werkloos zijn, laaggeschoold, tov 16% die hooggeschoold zijn.
Bij de kortdurig werkzoekende (minder dan één jaar werkzoekend), zijn de laaggeschoolden (48%) in maart 2008 de grootste groep. Daarna volgen de middengeschoolden (30%) en de hooggeschoolden (22%). Dit betekent in vergelijking met maart 2005 een stijging van de laaggeschoolden en een daling van de hooggeschoolden.