Bezoeken / Gentse geschiedenis

Internationale faam door luxelakens

Beluister deze pagina met proReader

Afbeelding lakens

Haar welvaart en de ermee samenhangende onstuitbare groei haalde de Gentse bevolking uit de vervaardiging en de handel van de befaamde wollen lakens. Van 1100 tot 1400 vond ruim 60 % van de huisgezinnen er zijn bestaan in. Het sorteren van de wol, het wassen, spinnen en bleken was een bezigheid voor laaggeschoolden, vrouwen, kinderen of plattelandslieden. De hoofdbewerkingen, namelijk het weven, vollen (dicht en glad maken door vervilting) en verven, was voorbehouden aan specialisten: het was mannenwerk en het gebeurde uitsluitend binnen de stad.


De beste wol haalden de Gentse wevers uit Engeland. Hun afgewerkte kwaliteitslakens gingen ze verkopen in heel Europa: in het Duitse Rijnland, op de Franse jaarmarkten van de Champagne, in Noord-Duitsland en de landen aan de Oostzee, en via de 'westvaart' langs de Franse Atlantische kust in Spanje en Portugal en zelfs in Noord-Afrika. Wijn, zout en andere verbruiksgoederen vormden de retourvracht. De rijke 'erfachtige lieden', zoals de oorspronkelijke bezitters van de stadsgrond werden geheten, deden er als kooplui hun grootste voordeel bij.

Maar zo snel als het goud in hun geldkisten vloeide, gingen deze ondernemers ook naar politieke en economische onafhankelijkheid streven tegenover het gezag van de graaf van Vlaanderen. In 1180 bouwde graaf Filips van de Elzas zijn stoere Gravensteen, niet zozeer om bescherming te bieden aan zijn goede stede, maar om er de trotse Gentse koopliedengeslachten straffer mee in bedwang houden. De Utenhove's, de Borluuts, de Uter Volrestrate's, de Rijms, de Van Sint-Baafs, en nog een 40-tal andere families bezaten exclusief alle economische macht in de stad. In de schepenbank van de '39 schepenen' bezaten ze ook het monopolie van het bestuur, de financiën en de rechtspraak. Zelfbewust bouwden ze hun eigen stenen met torens en kantelen, als een uitdaging tegenover het grafelijke kasteel.

Anderzijds kon deze machtsbeluste topklasse het zich niet veroorloven helemaal blind te blijven voor de vele sociale noden van de volkrijke stad. Van de gewetenskwelling der woekerwinsten zuiverde ze zich door hospitalen - zoals bijvoorbeeld de Bijloke - te bouwen, aalmoezen uit te delen, stichtingen voor liefdadigheid op te richten.
 
Zij ijverde verder voor de vestiging van vier typische stadskloosters, deze der bedelorden, zo genoemd omdat de paters moesten leven van giften: de augustijnen (Sint-Margrietstraat), de karmelieten (Steenstraat, thans 'Patershol'), de dominicanen (Onderbergen, nu 'Het Pand') en de minderbroeders (klooster waar thans het Gerechtshof staat). In tegenstelling met de benedictijnermonniken van de grote abdijen was de activiteit van deze stadspaters helemaal gericht op de prediking in de volkstaal en het apostolaat bij de stedelijke bevolking. Voor vrome ongehuwde vrouwen en weduwen, die geen afstand wilden doen van hun privé-bezit, richtte Gravin Johanna van Constantinopel omstreeks 1242 twee grote begijnhoven op: Sint-Elisabeth op het einde van de Burgstraat, O.L.Vrouw ter Hooie in de Lange Violettestraat.

 

Terug naar de bovenkant
Print deze pagina
#
Stad Gent, Botermarkt 1, 9000 Gent, tel. +32 (0)9 210 10 10, fax +32 (0)9 210 10 20, e-mail gentinfo@gent.be