Na de ontreddering van de Noormanneninvallen lieten de graven van Vlaanderen voor het eerst van zich spreken. Graaf Boudewijn II de Kale deed in zijn graafschap opnieuw orde en rust heersen op een wijze die in heel West-Europa uniek was. Hij schiep daarmee de voorwaarden voor de ontwikkeling van de economie en voor het ontstaan van steden. In Gent liet hij een versterking bouwen op de linkeroever van de Leie, op de plaats waar zich thans de slottoren van het Gravensteen bevindt. Bij die veilige beschutting was het dat de bevolking zich hergroepeerde. Voor haar behoeften legde men aan de voet van de versterking een markt aan (de huidige Groentenmarkt). Straalsgewijs daarrond vormde zich een belangrijke nederzetting.
In de buurt van de Gras- en Korenlei bestond deze voornamelijk uit kooplieden. Omstreeks 950 kwam ook het oude dorp bij de Zandberg weer tot ontwikkeling. Langsheen de as gevormd door de Hoogpoort groeiden de twee kernen geleidelijk naar elkaar toe. De beide uit hun as verrezen benedictijnerabdijen tenslotte maakten het plaatje compleet. Voor het jaar 1000 kwamen deze opnieuw in het bezit van hun kerkelijke gebieden en landbouwdomeinen.
De legende van de Graalridders is onverbrekelijk verbonden met Glastonbury in het Engelse graafschap Somerset. Maar ook Gent heeft hierin een rol gespeeld. Abt Dunstan van Glastonbury was omstreeks het jaar 950 naar Vlaanderen gevlucht en hij genoot in de Gentse Sint-Pietersabdij de politieke bescherming van graaf Arnulf I. Hij liet daar enige handschriften achter. Terug in zijn eigen abdij, voerde hij er de benedictijnse regel in die hij in Gent had leren kennen. Twee eeuwen later stelde de toenmalige graaf van Vlaanderen, Filips van de Elzas, tijdens een verblijf te Gent een geheimzinnig handschrift ter hand aan zijn gevierde hofdichter Chrétien de Troyes. Deze putte daaruit voor zijn Perceval ou le conte del Graal, die koning Arthur en zijn Ridders van de Ronde Tafel voorgoed beroemd zou maken. Men neemt aan dat het bewuste mysterieuze boek door abt Dunstan destijds achtergelaten was in de Gentse Sint-Pietersabdij.
In het gebied tussen Leie en Schelde, in de schaduw van de grafelijke burcht en omzoomd door de grote abdijen, begon de snelle groei van het nieuwe Gent. Op vele duizenden plattelandslui oefende de stad een magische aantrekkingskracht uit. Voor hun godsdienstbeleving diende men spoedig bijkomende bidplaatsen op te richten. Het waren de eerste echte stadskerken. In het jaar 942 kwam de bisschop van Doornik de Sint-Janskerk (nu Sint-Baafskathedraal) inwijden. Voor het jaar 1100 bouwde men ook reeds de voorlopers van de huidige Sint-Jacobs-, Sint-Niklaas- en Sint-Michielskerk.
Het samenhorigheidsgevoel van een talrijke groep dicht bij mekaar wonende mensen leidde al vlug tot enig politiek bewustzijn. 'Stadslucht maakt vrij', zo was de leus waarmee ze zich wensten te onderscheiden van het omringende platteland. Daar immers zou de onvrijheid in volledige afhankelijkheid van hoge heren nog vele eeuwen standhouden. 0mstreeks 1100 wisten de stadsbewoners van de graaf te bekomen dat hun gebied onder de rechtsmacht van een afzonderlijk bestuur, namelijk een eigen schepenbank werd geplaatst. De echte stad, in de ware betekenis van het woord, was geboren.
Het prille stadsbestuur liet zijn rechtsgebied afbakenen door de natuurlijke watergordel van de Schelde en de meanderende Leie af te sluiten met kunstmatig gegraven grachten. Zo ontstonden de Ketelvest en de Houtlei, misschien ook wel de Kraanlei en de Ottogracht. De 'stadskuip', het gebied daar middenin, werd deels omwald, deels ommuurd. Vier solide poorten maakten de controle mogelijk op alle binnenkomend en buitengaand verkeer van personen en koopwaren. De schepenen waren er weldra tevens op uit om de hand de leggen op de buitengebieden aan de rand van de stad. Kort na 1300 bereikte de stadsomwalling al een omtrek van bijna twaalf en driekwart kilometer, en omsloot ze een oppervlakte van 644 hectare.