Van 1100 tot 1500 speelde Gent een vooraanstaande rol onder de belangrijkste steden van Noord-West-Europa. Men schat het aantal inwoners van de 13de tot de 15de eeuw op zo'n 65.000, dit is nauwelijks iets minder dan Parijs, maar een heel stuk meer dan bijvoorbeeld Londen of Hamburg. Zijn karakter van middeleeuwse grootstad dankte Gent aan de productie van wollen luxelakens en zijn uitstekende ligging aan de samenvloeiing van de twee belangrijkste rivieren van Vlaanderen, de Leie en de Schelde, met hun goede mogelijkheden voor het handelsverkeer.
Op die plek, waar de beide rivieren samenkomen, was het dat de wieg had gestaan van Gent. De stadsnaam zelf betekent trouwens niets anders dan 'monding' of 'samenvloeiing'. Die gunstige ligging heeft hier al sinds de prehistorie mensen samengetrokken. Archeologen en plaatsnaamkundigen hebben er talrijke sporen van menselijke aanwezigheid aangetoond sinds het steen- en het ijzertijdperk. In de eerste eeuwen van onze jaartelling, tijdens de overheersing van de Romeinen, bestond er een vrij belangrijk dorp op hoge zandrug die zich uitstrekt van Eenbeekeinde in Destelbergen tot het punt waar Leie en Schelde samenvloeien. De mensen woonden er veilig beschermd tegen het water. Verderop langs de Schelde, op de Blandijnberg, bevond zich een Romeinse villa.
Het aanzienlijk gebouw dat (naar een zekere Blandius, één van de bezitters) Blandinium of Blandijn werd genoemd, fungeerde daar allicht als centrum van een grote landbouwuitbating. De grote Germaneninvallen van 406/407 betekenden het einde van de Romeinse bezetting. In de valleien van Leie en Schelde vestigden zich daarna voorgoed Germaanse volkeren die men tot de Salische Franken rekent.
Het verblijf van de geloofsverkondiger Amandus in de jaren 629-639 betekende een belangrijk keerpunt. Hij was een voormalige edelman, afkomstig uit de Franse landstreek Aquitanië. Hij kwam met brieven van de Frankische koning Dagobert I, waardoor het hem toegestaan was de bewoners van de Gentse regio desnoods te dwingen zich te laten dopen. Zoals vele van zijn tijdgenoten zal de ondernemende Fransman per schip hebben gereisd langs Leie of Schelde. Maar toen hij aan wal wou gaan bij Ganda, de plek waar zich thans de ruïnes van de Sint-Baafsabdij bevinden, wierp de vijandige bevolking hem terug in het water. Hij trok zich dan wat verderop langs de Schelde enige tijd terug in een klein kloostertje met bidplaats, vermoedelijk op de Blandijnberg, de plaats waar later de Sint-Pietersabdij zou verrijzen. Tot een plaatselijke gezagdrager op zekere dag in Ganda een terdoodveroordeelde liet ophangen. Amandus liet hem heimelijk van de galg afhalen en overbrengen naar zijn kloostertje. Door gebed wist hij hem weer tot leven te wekken. Dit mirakel was blijkbaar zo overtuigend, dat de inwoners van de streek zich vrijwillig lieten dopen en de heidense cultusplaatsen vernielden. Meteen was de kerstening van de Gentse bevolking een feit.
Daarop heeft Amandus samen met zijn vriend en volgeling Bavo - alweer een voormalige edelman, afkomstig uit Haspengouw - twee kloosters gesticht, deze van Sint-Baafs en Sint-Pieters. Had de heilige man maar een dagboek bijgehouden! Toen de beide Gentse abdijen later mekaars grote rivalen waren, hebben zij zich verbeten ingespannen om hun 'eerste-geboorterecht' te bewijzen. Diefstal van relikwieën en vervalsing van oude oorkonden waren eeuwenlang schering en inslag. Zelfs tot vandaag toe doet de vraag welke abdij de oudste is nog steeds veel inkt vloeien bij geschiedkundigen.
De beide abdijen richtten de eerste kerken op voor de landelijke domeinbewoners, namelijk Sint-Martinus op Ekkergem en Heilig-Kerst vlakbij de Sint-Baafsabdij. Sint-Pieters en Sint-Baafs kenden een tijd van hoge bloei onder de regering van keizer Karel de Grote. Niemand minder dan diens beroemde vertrouwensman en biograaf Einhard was vanaf 815 lekenabt van de twee Gentse kloosters. Hij bezorgde ze het statuut van koninklijke instellingen. Als een echte moderne manager legde hij de basis voor hun latere ontwikkeling tot de belangrijkste abdijen van Vlaanderen.
Met hun nieuwe instellingen schiepen de kerkelijke en de wereldlijke overheid orde en een gevoel van veiligheid. Er ontstonden dan ook verschillende bevolkingskernen in de Gentse regio. Zulk een dorp bestond na 650 ook al aan de Reep, op en rond de hoger gelegen Zandberg in de buurt van de huidige Sint-Baafskathedraal. Hier alleszins moeten ook marskramers en handelaars regelmatig hun vreemde koopwaar hebben aangevoerd langs het Scheldewater. Althans zolang er voldoende veiligheid heerste in het land.
Donkere tijden braken aan ten gevolge de invallen van de Vikingen, Scandinavische krijgers die met hun snekken de Schelde kwamen opgevaren. De Sint-Baafsabdij werd versterkt en op een nabijgelegen scheepswerf bouwden plaatselijke specialisten zelfs oorlogsschepen. Op de lange duur mochten die voorzorgen evenwel niet baten. Tijdens hun moordende rooftochten in de jaren 879-883 plunderden en vernielden de geduchte Noormannen de twee Gentse abdijen. Het nog maar pas ontluikende Gent werd alweer van de kaart geveegd.