Het Hotel d'Hane Steenhuyse kwam in verschillende bouwcampagnes tot stand. Al op het einde van de 17e eeuw kocht de familie d'Hane twee huizen in de Veldstraat. Een middeleeuws steen vormde de kern van die huizen. In 1761 onderging het geheel een eerste grondige transformatie. Uit die periode dateert het nieuwe rococo trappenhuis.
Kort daarna verwierf Emmanuel Ignace d'Hane (1702-1771) nog een aantal huizen. In 1768 werden al deze panden samengevoegd en werd een laatbarokke voorgevel opgetrokken. Die werken brachten ook een aanpassing van het interieur mee. De creatie van een achthoekige hal verlengde de vestibule tot aan de koetsdoorrit.
In 1771 realiseerde graaf Pierre Emmanuel d'Hane (1726-1786) de achtergevel in classicistische stijl. Het interieur werd in dezelfde stijl afgewerkt. Het pronkstuk was de balzaal of salle à l'italienne. Kort na 1780 viel de bouwcampagne stil.
Na de dood van Pierre Emmanuel kreeg de jongste zoon Jean Baptiste (1757-1826), graaf d'Hane de Steenhuyse, het huis in handen. Toen kende het pand zijn grootste uitstraling door de vele voorname gasten die er logeerden. De bekendste figuur is de Franse koning Lodewijk XVIII, die hier tijdens de zogenaamde Honderd Dagen (1815) verbleef.
Rond 1850 verving Jean Baptiste d'Hane de Potter (1797-1858) een deel van de tuin en de stallingen door twee herenhuizen. De koetsdoorrit werd verlengd en op de eerste verdieping kwam een muzieksalon.
In het laatste kwart van de 19e eeuw vond een ingrijpende verbouwing plaats. Na het overlijden van Edmond (1802-1877), de laatste d'Hane, ging het pand over op de vrouwelijke lijn. Valérie van Pottelsberghe de la Potterie (1839-1902) bewoonde het hotel met haar dochter en vond het huis veel te groot. Een deel van het gebouw werd afgesplitst, wat onder meer meebracht dat de vestibule ingekort werd en de hoofdtrap verplaatst. Veel interieurs werden overschilderd in soms vrij sombere kleuren.
Langzaamaan raakte het gebouw in onbruik. In 1949 werd het ingericht als Museum der Honderd Dagen. Daarna werd het verhuurd als winkelpand. Op 13 augustus 1953 werd het indrukwekkende gebouw beschermd als monument. In 1981 kocht de stad Gent het en bracht er tijdelijk het Informatiecentrum Stadsvernieuwing in onder. Daarna kreeg de Dienst Monumentenzorg opdracht tot het opmaken van een restauratiedossier.
Verschillende vooronderzoeken i.s.m. tal van externe experts bevestigden het uitzonderlijke belang van het gebouw. Dit betekent dat de restauratie met uiterste zorg en soms innoverende expertise gebeurt. Tot op heden zijn vijf fasen uitgevoerd. De salons op de begane grond, de kelders en de voormalige conciërgewoning wachten nog op restauratie. Voor de heraanleg van de tuin zal archeologisch onderzoek van de Dienst Stadsarcheologie samen met een aantal experts bepalend zijn.
De eerste verdieping zal worden ingericht met 18de-eeuws meubilair dat het leven in een dergelijk gebouw evoceert. De benedenverdieping krijgt een meer - weliswaar beperkte - publieke functie; hier kunnen kleine tentoonstellingen, voordrachten of kamerconcerten worden georganiseerd.
Adres: Veldstraat 55.
Functie: Kantoren van de Dienst Monumentenzorg en de Dienst Architectuur.