Leven / Cultuur

Wapenmuseum

Beluister deze pagina met proReader

Foto harnas

De historische wapencollectie van de Stad Gent bestaat voor een groot deel uit het legaat van Adolphe Neyt. Deze Gentse industrieel stelde in de negentiende eeuw ťťn van de mooiste verzamelingen van Vlaanderen samen: met ivoor en parelmoer ingelegde pistolen, kruisbogen, strijdknotsen,... De collectie werd vanuit het Bijlokemuseum naar het Gravensteen overgebracht. De sfeer van dit imposante kasteel vormt het ideale kader voor dit historisch wapentuig!

De collectie is opgedeeld in negen onderdelen.

MaliŽnkolders en harnassen

Een maliŽnkolder is eigenlijk een beschermend kledingstuk vervaardigd uit maliŽn (kleine metalen ringen). Het vervaardigen van een maliŽnkolder was een groot werk. Onder de maliŽnkolder droeg men een dik hemd om het lichaam te beschermen. Boven de maliŽnkolder droeg men vaak ook nog een kleed om de hitte van de zon tegen te houden.

Omdat de maliŽnkolder onvoldoende bescherming tegen zwaardsteken bood, bevestigde men er metalen plaatjes aan. Op de duur raakte het hele lichaam bedekt door plaatjes die met riemen aan elkaar vastzaten of in elkaar scharnierden. Zo ontstond het harnas.

Een harnas moest precies passen en werd meestal op maat gemaakt. Daarom was het erg duur en het gewone volk kon zich zoín uitrusting niet veroorloven. Het gewicht van een harnas was zo verdeeld, dat de ridder zich nog snel kon bewegen en kon opstaan als hij van zijn paard viel.

Harnassen werden soms versierd met graveerwerk.

Toen de vuurwapens hun intrede deden, raakten de harnassen stilaan in onbruik; ze boden immers geen bescherming tegen kogels. Vanaf dan deden harnassen enkel nog dienst als paradestukken.

Knotsen en Vlegels

De knots is ťťn van de oudste wapens. Aanvankelijk gebruikte men zware dierenbotten of dikke stukken hout als knots, later metaal. Zo ontstond de strijdknots, waarmee men schilden en kurassen (borst- en rugharnas) kon inslaan. De goedendag is een zware knots met een korte metalen punt.

Een vlegel is een slagwapen en bestaat uit een stok met een ketting. Op het uiteinde van de ketting zit een metalen staaf of bol, soms met ijzeren punten. Het wapen is afgeleid van de dorsvlegel (landbouwwerktuig).

Strijdhamers en -bijlen

Een strijdhamer lijkt op een gewone hamer. Hij heeft een puntige klauw waarmee men van op korte afstand de tegenstander kon treffen. Sommige strijdhamers hebben een haak om ze aan een rijzadel te hangen.

Met een werpbijl kon men de tegenstander treffen van op een afstand van 3 ŗ 4 meter. De strijdbijl is een typisch houwwapen.

Kruisbogen en pijlpunten

Kruisbogen werden tot in de 19de eeuw gebruikt voor de jacht. Naar gelang van het soort wild gebruikte de jager een andere soort boog. Na elk schot moest de kruisboog weer worden opgespannen. Hiervoor werd een trek- of spanmechanisme gebruikt.

De steen- of kogelkruisboog werkte met balletjes in lood of klei en diende voor de jacht op klein wild.

De kruisboog is zwaarder dan de handboog en heeft ook een grotere reikwijdte; er bestonden ook zakkruisbogen.

Pijlpunten zijn er in verschillende vormen, materialen en afmetingen. Driehoekige pijlpunten dienden om harnassen te doorboren. De ijzeren pijlpunten werden over houten bouten geschoven. De veertjes achteraan zorgden ervoor dat de pijl tijdens de vlucht niet te veel van zijn koers afweek.

Dolken en stilet

Een dolk heeft een symmetrische tweesnijdende kling. Het is een klein, licht handwapen, geruisloos bij gebruik en gemakkelijk te verbergen. Dolken werden gebruikt om te steken. Men kon er maliŽnkolders mee doorboren en men kon ze ook werpen. Er zijn verschillende types dolken: pareerdolken, nierdolken en stilettenÖVaak zijn ze prachtig versierd.

Het stilet is een kleine dolk, waarschijnlijk uit ItaliŽ. Het heeft een kruisgevest (greep in kruisvorm) en een onbuigzame, heel smalle kling, enkel bedoeld om mee te steken.

Rapiers en degens

Een rapier is een snel, handig steekwapen. Het heeft een lange tweesnijdende kling en een fraaie handbeschermer. Men gebruikte het vooral om zich te beschermen in het gevaarlijke stadsleven. Vanaf de Renaissance droegen edelen en hovelingen een rapier als modieus pronkstuk.

De degen ontstond bij het begin van de 17de eeuw. Het is een licht zwaard, in principe bestemd om te steken. Tot op het einde van de 18de eeuw was de degen een vast onderdeel van de herenmode, zowel voor militairen als burgers. Hij bleef een onderdeel van het galatenue tot in de 20ste eeuw.

Zwaarden

De oudste zwaarden werden vooral als houw- en slagwapen gebruikt. Wanneer de tegenstrever een harnas droeg, moest het zwaard tussen de platen door kunnen dringen. Daarom werd de kling van de zwaarden mettertijd smaller en puntiger.

Tweehanders zijn zwaar en kunnen meer dan twee meter lang zijn. Ze hebben een extra lange handgreep en men zwaaide ze met beide handen heen en weer. Het voetvolk gebruikte zulke zwaarden om de pieken van de piekeniers (soldaten met pieken) te klieven. Met de gekartelde snijvlakken van de tweehanders konden harnassen uit elkaar worden getrokken. Tweehanders werden voornamelijk in de 16de eeuw gebruikt.

Het gerechtszwaard is een breed, tweesnijdend zwaard zonder punt. Terdoodveroordeelden uit de hogere sociale klasse werden onthoofd met het zwaard. Dit was minder vernederend dan opknoping. Het gerechtszwaard was ook een belangrijk rechtssymbool. Het toonde dat de stad de macht had om een doodvonnis te vellen en uit te voeren.

Stokwapens

Er zijn heel veel soorten stokwapens.

Partizanen hebben een breed, smal toelopend blad met uitsteeksels of vleugels aan de onderkant.

Strijdzeisen hebben een zeisachtige kling en een weerhaak aan de achterkant.

De gebruiker duwde de haak tussen de platen van het harnas en kon zo de ruiter van zijn paard trekken.

Pieken en hellebaarden waren wapens voor het voetvolk.

De hellebaard is een soort bijl op een lange stok. Het grote voordeel van deze wapens was dat de gebruiker de vijand van op veilige afstand te lijf kon gaan.

Vanaf de 17de eeuw tot in de 19de eeuw werden deze stokwapens steeds meer als ceremoniewapens gebruikt.

Vuurwapens

Het eerste vuurwapen van het voetvolk was de haakbus. De gebruiker strooide kruit in de pan aan de achterkant van de loop en stak dat aan met een lont, zodat de eigenlijke lading in de loop ontplofte. Door de explosie van het kruit vloog de kogel uit de haakbus.

Het laden van een kanon was een heel karwei. Om het laden te versnellen ontwikkelde men geschut met wisselbare laadkamers Ė snellekens. Men laadde de snellekens op voorhand en legde ze dan bij het kanon. Een kanon met snellekens werd door twee of drie mannen bediend en kon tot twee schoten per minuut afvuren.

Het ontstekingsmechanisme van het radslotgeweer werkt volgens het principe van een aansteker. Een metalen wieltje (het rad) wrijft langs een stukje ijzerpyriet. Daardoor ontstaan vonken, die het kruit in de kruitpan doen ontbranden. Dat fijne kruit ontsteekt dan het grove kruit in de loop.

Het radslotgeweer was een enorme verbetering, omdat de schutter dit wapen vooraf kon laden. Radslotgeweren werden voornamelijk gebruikt bij de jacht op klein wild en voor de sport. Vaak zijn ze versierd met mythologische figuren, jachttaferelen en vogels, en hebben ze inlegwerk van been en parelmoer.

Het radslotmechanisme werd ook gebruikt voor pistolen. Een ruiter kon twee of drie radslotpistolen meenemen aan zijn zadel of in de schacht van zijn laarzen. Met deze pistolen werd de vijand van op een afstand van drie tot vier meter beschoten.

Na het radslot als ontstekingsmechanisme volgde het vuursteenslot. Hierbij zorgde een vuursteen voor de vonk. Dit geweer met een vuursteenslot werd later omgevormd tot percussiegeweer.

Als kruithoorn werden vaak hoorns van dieren gebruikt. Het buskruit bestond uit een mengsel van salpeter, zwavel en houtskool. Sommige kruitbussen zijn rijkelijk bewerkt.

Terug naar de bovenkant
Print deze pagina
#
Stad Gent, Botermarkt 1, 9000 Gent, tel. +32 (0)9 210 10 10, fax +32 (0)9 210 10 20, e-mail gentinfo@gent.be